Bij de schilderijen van Meint van der Velde.

De scheiding tussen licht en donker vormt als eerste scheppingsdaad de voorwaarde tot verdere ordening.

Klanken strekken zich uit naar woorden, woorden naar betekenissen ... verf strekt zich uit naar vorm, vorm naar voorstelling ...

Het licht ontworstelijkt zich aan de duisternis; waar licht is kan de duisternis niet zijn; de duisternis tracht zijn plaats te hervinden.

Dit zijn de ultieme spelregels waarmee de schilder zich een positie moet veroveren ten opzichte van zijn werk. Hij bevindt zich temidden van de dialectiek tussen licht en donker en probeert aan elk een plaats te wijzen.

Soms worden vlekken vormen, en vormen tekens ...

Maar ook worden posities opnieuw aangevallen en teniet gedaan. Medestrijders worden gezocht in kleur.

Hoe zou een schilder zich staande moeten houden bij een alleenheerschappij van het licht? Of  hoe bij een totale verduistering? Hoe lang kan hij onpartijdig zijn? Of is hij, zijns ondanks, al medeplichtig?

Tekst Henk Pietersma